Geschiedenis en cultuur van de San (bushmen)
 

De San vormen het oudste inheemse volk van Zuidelijk Afrika.

Deze jagers en verzamelaars noemden zichzelf bij de naam van hun individuele (taal)groep, zoals Ju|’hoansi, Khwe, ||Ani, G|wi, Naro, Hai||om, !Xöò, |Khomani, !Xun, ||Gana, Tshua, ||Xekgwi, !Ui, hetgeen in de meeste gevallen “Echte mensen”, “Eerste mensen”, of alleen “Mensen” betekent.

De Nederlandse en Engelse kolonisten noemden hen Boesmans (Bosjesmannen) of Bushmen. Het woord Boesman betekende zoiets als uitschot, wilde mensen zonder vee. De Khoikhoi (Hottentotten) die zelf vee hoedden, noemden hen met het Nama woord Sonqua, “mensen verschillend van ons; mensen zonder veestapel”. Van dit woord afgeleid hebben de antropologen de benaming San ingevoerd (1960). In Botswana worden de Bushmen Basarwa genoemd. Hetgeen eveneens betekent: mensen zonder land en vee (en daardoor geen waarde of status). In ontwikkelingsjargon spreekt de overheid van Botswana over ‘Remote Area Dwellers’ (RAD’s), mensen uit afgelegen gebieden.Voor de meeste Bushmen is deze naam een bevestiging van hun gevoel: verloren en vergeten mensen te zijn.

In een regionale bijeenkomst van Bushmen uit Namibië en Botswana in 1991 kozen de aanwezigen daar voor de term ‘Bushmen’ omdat het een lang bestaande en internationale bekende benaming is. Sommigen zeiden zelfs dat dit woord hun relatie met de natuur het sterkst weergeeft en dat ze er een erenaam van willen maken. In Zuid Afrika wordt het woord echter als minachtend ervaren omdat het soms wordt gebruikt om er mensen van gemengde volken mee te beledigen. Hoewel de keuze voor de verzamelnaam ‘Bushmen’ meer en meer gemaakt werd, omdat die naam door zowel mensen in Afrika als de rest van de wereld  het best begrepen en verstaan wordt, wordt momenteel het woord San door een groot aantal vertegenwoordigers van verschillende overlevende groepen First People als het minst denigrerend ervaren.

 

De San leefden vroeger vooral van de jacht en van het verzamelen van eetbare gewassen.

De man-vrouw verhouding is altijd bijzonder gelijkwaardig geweest. Dit is echter onder invloed van de geldeconomie snel aan het veranderen.

Het land waar ze woonden is nu in bezit genomen door grote veeboeren of door overheden. Het wild is daarmee staatseigendom geworden. De knollen, bessen, noten zijn zeldzamer geworden doordat hele gebieden door koeien zijn kaalgevreten.

De meeste San leiden op dit moment een marginaal bestaan als goedkope arbeidskrachten bij rijke veeboeren, als dagloners en zij leven van de verkoop van traditionele  kunstnijverheidsartikelen. Soms, bijeen gebracht in kunstmatige dorpen, zijn zij totaal afhankelijk van overheidshulp.